Bestudeer plantenfamilies en groei als tuinier
(Global Heart) Als tuinier ben je nooit uitgeleerd. De meeste kennis en ervaring doe je op door gewoon te doen. Je kunt ook basiskennis oppikken door te lezen, te kijken of te luisteren. Het leren herkennen van plantenfamilies is daar het perfecte voorbeeld van. Het tilt je tuinprestaties direct naar een hoger niveau.
Herken de plantenfamilies
Je hoeft absoluut geen botanicus te zijn om hier de vruchten van te plukken; deze basiskennis helpt elke tuinier enorm. Het is een soort ‘cheat code’ voor de tuin. Als je de kernkenmerken van een familie snapt, weet je direct wat een specifieke plant nodig heeft, hoe hij groeit en voor welke plagen hij gevoelig is. Zelfs als je die specifieke plant nog nooit eerder hebt gekweekt.
Wat zijn plantenfamilies?
In de tuin gebruiken we meestal de Nederlandse namen. Maar planten hebben ook formele, Latijnse namen. Deze namen helpen om structuur aan te brengen. Een specifieke plant is een variëteit van een bepaald soort. Deze soorten vallen onder een specifiek geslacht. En elk geslacht maakt weer deel uit van een plantenfamilie.
Planten uit dezelfde familie delen fysieke kenmerken. Neem de lipbloemenfamilie (Lamiaceae): hieronder vallen kruiden zoals lavendel, basilicum, munt, oregano, tijm en rozemarijn. Al deze planten hebben aromatische bladeren en een vergelijkbare bloemstructuur.
10 Belangrijke plantenfamilies om te kennen
1. Apiaceae (schermbloemenfamilie)
- Kenmerken: deze familie herken je direct aan de unieke bloeiwijze: de bloemstelen vertakken zich vanuit één centraal punt, net als de baleinen van een paraplu. Dit noemen we een scherm (of umbel). Vaak vertakken die schermen zich nóg een keer (samengestelde schermen) en dragen ze honderden piepkleine, vijftallige bloemetjes. De stengels van deze planten zijn vaak hol en gerond. De bladeren zijn meestal diep ingesneden, varenachtig en verspreiden bij kneuzing een sterke, kruidige geur.
- Bekende leden: wortel, pastinaak, selderij, peterselie, komijn, dille, anijs, karwij, venkel en koriander.
- Tuintip: de platte bloemschermen zijn de perfecte landingsbaan voor zweefvliegen en piepkleine sluipwespen. Plant ze dus dicht bij je groenten als natuurlijke insectenbestrijders. Let op: deze familie bevat ook extreem giftige soorten, zoals de gevlekte scheerling of de dodemansvingers. En planten die brandblaren veroorzaken, zoals de reuzenberenklauw.
2. Asteraceae (composietenfamilie of madeliefjesfamilie)
- Kenmerken: wat we bij deze familie een “bloem” noemen (zoals bij een zonnebloem), is eigenlijk een hele kolonie van tientallen of honderden bloemetjes. Zo’n bloemhoofdje bestaat uit twee soorten bloemen: buisbloemen in het compacte centrum (die de zaden vormen) en lintbloemen aan de buitenrand (de “bloemblaadjes” die insecten lokken). De bladeren staan meestal verspreid langs de stengel en de planten produceren vaak een melkachtig sap (latex) als je de stengel breekt.
- Bekende leden: zonnebloem, sla, duizendblad, alsem, kamille, citroenkruid, cichorei, guldenroede, boerenwormkruid, afrikaantjes, goudsbloem, paardenbloem, echinacea (zonnehoed) en artisjok.
- Tuintip: omdat de bloemhoofden zo ontzettend veel nectar produceren, zijn ze absolute topfavorieten voor bijen, hommels en vlinders. Het zijn over het algemeen sterke, zonminnende planten met diepe penwortels die goed tegen een stootje (en droogte) kunnen.
3. Brassicaceae (kruisbloemenfamilie of koolfamilie)
- Kenmerken: de oude naam van deze familie is Cruciferae. Wat letterlijk “kruisdragers” betekent. Dit slaat direct op het belangrijkste kenmerk: de bloemen hebben altijd exact vier bloemblaadjes die loodrecht op elkaar staan, in de vorm van een kruis. De bloemen hebben zes meeldraden (vier lange en twee korte). Na de bloei veranderen de bloemetjes in kenmerkende, langwerpige of ronde zaadpeultjes (hauwen). De bladeren zijn vaak wat dikker, hebben soms een blauwgroene, wasachtige laag en staan verspreid.
- Bekende leden: boerenkool, broccoli, koolrabi, wittekool, Chinese kool, bloemkool, radijs, koolzaad, raapzaad, rucola, mierik en mosterd.
- Tuintip: dit zijn ‘grootverbruikers’ die veel voeding uit de bodem vragen. Ze verbruiken gigantisch veel stikstof en kalk uit de grond. En ze zijn ook erg gevoelig voor plagen (zoals het koolwitje en de koolvlieg). Wisselteelt is hierbij essentieel.
4. Fabaceae (vlinderbloemenfamilie of leguminosen)
- Kenmerken: de bloemen van deze familie hebben een heel herkenbare, asymmetrische vorm die wel wat weg heeft van een vlinder. De bloem bestaat uit een opstaande ‘vlag’ (het bovenste blad), twee ‘vleugels’ aan de zijkant, en een ‘kiel’ (twee samengegroeide blaadjes aan de onderkant) waarin de meeldraden verstopt zitten. De bladeren zijn bijna altijd samengesteld (meerdere kleine blaadjes aan één steel, zoals bij klaver). Na de bloei herken je ze direct aan de overduidelijke peulvruchten.
- Bekende leden: erwten, bonen, klaver, sperziebonen, tuinbonen, sojabonen, pinda’s, rooibos, blauweregen, goudenregen, johannesbroodboom, judasboom, brem, luzerne en lupine.
- Tuintip: dit zijn de ultieme bodemverbeteraars. Aan hun wortels groeien kleine knolletjes waarin ze samenwerken met rhizobiumbacteriën. Deze bacteriën trekken stikstof uit de lucht en zetten dit om in gratis plantenvoeding voor de bodem. Knip de planten na de oogst bij de grond af en laat de wortels zitten. Zo blijft de stikstof achter voor je volgende gewas. Ideaal om de grond op een natuurlijke wijze te bemesten.
5. Iridaceae (lissenfamilie)
- Kenmerken: leden van deze familie groeien bijna uitsluitend vanuit ondergrondse opslagorganen zoals bollen, knollen of dikke wortelstokken (rhizomen). De bladeren zijn zeer karakteristiek: ze zijn stijf, zwaard- of grasachtig, hebben parallelle nerven en groeien vaak in een strakke, platte waaiervorm vanuit de basis. De bloemen zijn drietallig: ze hebben drie buitenste bloemdekbladen (die vaak naar beneden hangen) en drie binnenste bloemdekbladen (die omhoog staan).
- Bekende leden: iris, krokus, montbretia, lis, gladiool en freesia.
- Tuintip: omdat ze hun energie ondergronds opslaan, zijn dit fantastische ‘early birds’ in de tuin (denk aan de krokus). Ze kunnen prima overleven op plekken waar het in de zomer erg droog wordt, omdat de bol dan in rust gaat. Ze groeien uit bollen of knollen en zijn perfect voor een betrouwbare, terugkerende bloemenzee in het voorjaar of de zomer.
6. Lamiaceae (lipbloemenfamilie of muntfamilie)
- Kenmerken: botanisch gezien is dit een van de makkelijkst te identificeren families. Voel maar eens aan de stengel. Deze is onmiskenbaar vierkant. De bladeren zijn sterk aromatisch. En staan altijd in paren recht tegenover elkaar. Elk paar staat weer een kwartslag gedraaid ten opzichte van het paar eronder. De bloemen danken hun naam aan de vorm: de bloemblaadjes zijn samengesmolten tot een ‘bovenlip’ en een ‘onderlip’, wat een perfect landingsplatform vormt voor hommels. Vrijwel de hele plant zit vol met klieren die etherische oliën uitscheiden.
- Bekende leden: munt, basilicum, rozemarijn, tijm, salie, bonenkruid, dovenetel, hennepnetel, kattenkruid, oregano, marjolein, lavendel en citroenmelisse.
- Tuintip: de sterke geur van de etherische oliën werkt bovendien als een natuurlijke barrière tegen veel insectenplagen. Gebruik deze kruiden dus strategisch in de tuin om geurgevoelige plagen in de war te brengen. Deze familie is heel gemakkelijk te stekken. Pas op met munt: leden van deze familie kunnen via ondergrondse uitlopers enorm snel gaan woekeren. Zet munt daarom liever in een pot.
7. Liliaceae (leliefamilie)
- Kenmerken: echte lelieachtigen zijn overblijvende kruiden die prachtig symmetrisch groeien vanuit bollen. De bladeren zijn langwerpig, lijnvormig en hebben (net als de lissen) parallelle nerven die strak langs de rand lopen. De bloemen zijn vaak groot en klok- of trechtervormig. Botanisch gezien hebben ze geen aparte kelk- en kroonbladeren, maar zes identieke bloemdekbladen, verdeeld over twee kransen van drie. Ook hebben ze exact zes prominente meeldraden met grote, stuifmeelrijke helmknopen.
- Bekende leden: echte lelies (zoals de daglelie), wilde kievitsbloem en tulpen.
- Tuintip: dit zijn de visuele blikvangers van de siertuin. Geef ze een plek met goed doorlatende grond. Omdat ze uit bollen groeien, hebben ze een hekel aan natte voeten in de winter. Waardoor de bol kan gaan rotten.
8. Ranunculaceae (ranonkelfamilie of boterbloemfamilie)
- Kenmerken: dit is een meer primitieve plantenfamilie, wat je vooral ziet aan de bloemstructuur. De bloemen zijn meestal komvormig en hebben een onbepaald (vaak heel groot) aantal meeldraden en stampers die los van elkaar in een weelderig spiraaltje in het hart van de bloem staan. De bloemdelen zijn vrijwel nooit met elkaar vergroeid. De bladeren zijn meestal handvormig ingesneden of diep verdeeld. De stengels bevatten vaak een scherp, waterig sap.
- Bekende leden: boterbloem, clematis, bosanemoon, monnikskap, Christoffelkruid, akelei, dotterbloem, speenkruid, Juffertje-in-het-groen, ridderspoor en kerstroos (helleborus).
- Tuintip: veel planten uit deze familie doen het fantastisch op koelere, halfschaduwrijke plekken in de tuin en bloeien vaak al vroeg in het voorjaar. Let op: Vrijwel alle leden bevatten de gifstof anemonine. Wat ze onaantrekkelijk maakt voor konijnen en slakken, maar dus ook gevaarlijk voor huisdieren.
9. Rosaceae (rozenfamilie)
- Kenmerken: de rozenfamilie omvat niet alleen rozen, maar ook veel eetbare planten uit een gematigd klimaat. De bloemen van de rozenfamilie zijn van nature perfect radiaal symmetrisch en hebben (in hun wilde vorm) vijf losse bloemblaadjes en vijf kelkblaadjes. In het centrum staat een indrukwekkende krans van heel veel meeldraden (vaak een veelvoud van vijf). De bladeren zijn meestal getand en hebben aan de basis van de bladsteel kleine steunblaadjes (stipulen). De stengels zijn vaak houtachtig en veel soorten beschermen zichzelf met stekels of doorns. Een ander uniek kenmerk is de vorming van schijnvruchten (zoals de aardbei, waar de zaadjes aan de buitenkant zitten, of de rozenbottel).
- Bekende leden: rozen, maar ook appels, peren, kweeperen, mispels, aardbeien, frambozen, bramen, kersen, pruimen, abrikozen, perziken, amandelen, rozen, vrouwenmantel, vuurdoorn, de siervormen van prunus, meidoorn, sleedoorn, lijsterbes en zilverschoon.
- Tuintip: veel van onze favoriete fruitsoorten vallen onder deze familie. Helaas zijn ze wel behoorlijk gevoelig voor schimmelziektes zoals meeldauw, schurft en vruchtrot. Schimmels houden van vocht, dus zorg bij het aanplanten al voor voldoende plantafstand. Geef de bomen en struiken daarnaast bij het snoeien een mooie, open structuur. Zo kan de wind goed door de takken waaien en drogen de bladeren na een regenbui snel weer op.
10. Solanaceae (nachtschadefamilie)
- Kenmerken: de bloemen van nachtschades hebben vijf bloemblaadjes die volledig met elkaar vergroeid zijn tot een ster, wiel of een trechter (denk aan de bloem van een tomatenplant). De vijf meeldraden staan vaak heel dicht tegen elkaar aan gedrukt in een kegeltje rondom de stamper. De bladeren staan verspreid langs de stengel en zijn vaak bedekt met kleverige klierhaartjes die een heel specifieke, zware geur afgeven. De vrucht is botanisch gezien bijna altijd een vlezige bes (zoals de tomaat of paprika).
- Bekende leden: tomaat, paprika, chillipeper, aardappel en aubergine. Maar ook zeer giftige planten zoals wolfskers.
- Tuintip: dit zijn de absolute zonaanbidders van de moestuin. Ze hebben veel warmte, diepe bewatering en flink wat kaliumrijke voeding nodig om vruchten te maken. Let op met vocht: ze zijn erg gevoelig voor de schimmel Phytophthora (aardappelziekte/tomatenrot). Geef ze daarom altijd water bij de grond en nooit op het blad.
Waarom deze kennis je een betere tuinier maakt
Slimme wisselteelt
Ziekten en plagen zijn vaak dol op één specifieke familie. Als je elk jaar tomaten (nachtschade) in hetzelfde vak zet, hopen de ziektes zich op in de grond. Door families te herkennen, begrijp je de logica van vruchtwisseling. Zet nooit planten uit dezelfde familie achter elkaar op hetzelfde stukje grond. Wissel een zware eter (zoals kool) bijvoorbeeld af met een stikstofbinder (zoals bonen).
Betere combinatieteelt
Planten uit de schermbloemenfamilie (zoals dille of koriander) hebben ondiepe, open bloemetjes. Dit is de perfecte landingsbaan voor handige sluipwespen. Plant je dille in de buurt van je kolen of tomaten, dan lok je direct de natuurlijke vijanden van rupsen en luizen naar je moestuin.
Leestip: Wil je hier echt handig in worden? In het boek Combineren in de natuurlijke moestuin legt Frank Anrijs uit hoe je groenten kweekt volgens het principe van ‘schijnbare chaos’. Door verschillende families slim te mengen, boots je de natuur na en beschermt je tuin zichzelf. Bestudeer plantenfamilies en groei als tuinier.
Direct (on-)kruid herkennen
Als er een onbekende spruit opkomt, kijk dan naar de structuur. Zie je een vierkante stengel met geurig blad? Dan is het een lid van de muntfamilie. Hij kan gaan woekeren, maar hij is in ieder geval niet giftig. Zie je een wit schermbloempje? Pas dan op: sommige wilde schermbloemigen kunnen hardnekkige blaren op je huid veroorzaken of zijn zeer giftig.
Bron: Global Heart
Je kunt ook interesse hebben in:
9 makkelijke groenten, fruit en kruiden om in potten te kweken
Waarom insecten verdwijnen en wat jij kunt doen – een gids om de natuur te helpen


