Charles Dickens: A Christmas Carol | HOOFDSTUK 5: Het einde van het verhaal

(Volksverhalen Almanak) Ja, en die bedstijl was zijn eigen bedstijl. Het bed was zijn eigen bed, de kamer was zijn eigen kamer. En, het beste en gelukkigste van al, de tijd die vóór hem lag was zijn eigen tijd, waarin hij zich kon beteren.

“Ik zal leven in het Verleden, in het Heden en in de Toekomst,” herhaalde Scrooge, terwijl hij uit zijn bed kroop.
De geesten van alle drie zullen in mij werkzaam zijn.
O Jacob Marley. De hemel en de Kersttijd zijn hiervoor geprezen!
Dat zeg ik op mijn knieën, oude Jacob, op mijn knieën!”
Hij gloeide zo en was zo opgewonden door zijn goede voornemens, dat zijn gebroken stem nauwelijks uitdrukking kon geven aan de kreet van zijn hart.. In zijn strijd met de geest had hij heftig gesnikt, en zijn gezicht was nat van tranen.
“Ze zijn er niet afgerukt,” riep hij, terwijl hij zijn armen om een van de bedgordijnen sloeg, “ze zijn er niet afgerukt met ringen en al!
Ze zijn hier, en ik ben hier.
De schimmen der dingen, die zouden zijn gekomen, kunnen worden verdreven.
Ze zullen worden verdreven. Ik weet, dat ze verdreven zullen worden!”
En al die tijd waren zijn handen druk bezig met zijn kleren, hij keerde ze binnenstebuiten, hij’ draaide ze ondersteboven, trok ze uiteen, legde ze neer en vergat waar hij ze had gelaten en bedreef er alle soorten van buitensporigheid mee.
“Ik weet niet wat ik moet doen!” riep Scrooge, en hij lachte en schreide tegelijkertijd en maakte een volkomen Laokoon van zichzelf met zijn kousen.
Ik ben zo licht als een veer, ik ben zo gelukkig als een engel, ik ben zo blij als een schooljongen.
Ik ben zo onvast op mijn benen als een dronken man.
Een vrolijk Kerstfeest voor iedereen!
Een gelukkig Nieuwjaar voor alle mensen! Hela, hola! Hopsasa!”
Al springend was hij naar de zitkamer gegaan en daar stond hij nu: helemaal buiten adem.
“Daar stond het pannetje, waar mijn pap in was,” riep Scrooge opnieuw opspringend en rond de stookplaats lopend.
En daar is de deur, waardoor de geest van Jacob Marley binnenkwam.
Daar is de hoek, waar de geest van de tegenwoordige Kersttijd heeft gezeten.
Daar is het venster, waardoorheen ik de zich voortbewegende geesten heb gezien. Het is alles werkelijk, het is alles waar, het is allemaal gebeurd. Ha! ha! ha!”
Waarlijk, voor een man, die zo lange jaren geen oefening meer had, was het een prachtige lach, een luisterrijke lach.
De stamvader van een lange, lange rij van glansrijke lachen!
“Ik weet niet, welke dag van de maand het is,” zei Scrooge.
Ik weet niet, hoe lang ik onder de spoken heb verkeerd.
Ik weet niets. Ik ben net als een zuigeling!
Maar dat komt er niet op aan.
Het kan mij niets schelen ’t Liefst wilde ik ook maar een zuigeling zijn. Hela, hola, hopsasa!”
In zijn vervoeringen werd hij gestuit door het lustigste gelui van kerkklokken, dat hij ooit had gehoord.
Een gebim-bam, een gebeier, een gehamer, ding-dong-dang.
Dang-dong-ding, klink-klank! O heerlijk, heerlijk!
Hij stormde naar het venster, rukte het open en stak het hoofd naar buiten.
Geen damp, geen mist; klare, heldere, tintelende, opwekkende koude, een koude, die het bloed prikkelde ten dans; gouden zonneschijn, een smetteloos blauwe hemel, een zuivere, frisse lucht, vrolijke klokken. O heerlijk, heerlijk!

67

“Wat is het vandaag?” riep Scrooge naar beneden tegen een jongen, die in Zondagskleren liep en die zijn stap misschien net had ingehouden om naar hem te kijken.
“Hé… wat?” antwoordde de jongen, buiten zichzelf van verbazing.
“Wat is het vandaag, beste jongen?” zei Scrooge.
“Vandaag?” riep de jongen. “Vandaag is het toch Kerstdag!”
“Het is Kerstdag!” zei Scrooge tot zichzelf. “Ik heb hem dus niet gemist!
De geesten hebben het allemaal in één nacht gedaan.
Maar geesten kunnen alles wat zij willen.
Natuurlijk kunnen ze dat. Natuurlijk kunnen ze dat. Hallo, beste jongen!” ” Hallo!” antwoordde de jongen.
..Weet je de poelier te wonen in de tweede straat van hier, daar op de hoek?” “Dat zou ik denken, dat ik dat weet!” antwoordde de knaap.
“Een schrandere jongen!” zei Scrooge. “Een merkwaardige jongen.
Weet je ook, of ze die bekroonde kalkoen die daar hing, verkocht hebben? Niet die kleine bekroonde kalkoen, maar die grote?”
“Wat! Die ene, die zo groot is als ik?” riep de jongen. “Wat een alleraardigste jongen,” zei Scrooge.
“’t Is een genoegen met hem te praten Ja, kereltje!” “Die hangt er nog,” zei de jongen.
“Ja?” zei Scrooge. “Ga hem dan voor mij kopen.” “Moet je mij hebben?” riep de jongen.
“Nee, nee,” zei Scrooge. “Ik meen het in ernst.
Ga die kalkoen kopen en zeg, dat ze hem hier brengen, dan zal ik het adres opgeven, waar ze hem moeten bezorgen.
Als je met de man terugkomt, krijg je een shilling.
En als je binnen vijf minuten met hem hier bent krijg je een halve kroon!” De jongen was weg, als een kogel.
Er was een vaste hand aan de trekker voor nodig geweest, om half zo snel een schot te lossen.
“Ik zal hem naar Bob Cratchit sturen,” zei Scrooge zachtjes, terwijl hij zich in de handen wreef waarna hij’ het weer uitschaterde van het lachen.
“Hij zal niet weten van wie hij hem gestuurd krijgt.
Hij is twee keer zo groot als Tiny Tim Joe Miller heeft nooit zo’n grap uitgehaald als het bezorgen van deze kalkoen bij Bob!”
De hand waarmee hij het adres schreef was geen vaste hand, maar, hoe dan ook, hij kreeg het klaar en holde de trap af om de straatdeur open te doen en klaar te staan als de man uit de poelierswinkel zou komen.

Terwijl hlj op diens komst stond te wachten viel hem de klopper in het oog.
“Daar zal ik aan gehecht blijven zo lang als ik leef!” riep Scrooge, terwijl hij er met de hand langs streek. “Ik heb er vroeger nauwelijks aandacht aan geschonken.
Wat een eerlijke uitdrukking heeft die in zijn gezicht, ’t Is een wonderlijk
mooie klopper! — En daar is de kalkoen. Hela, hopsasa!
Hoe maak je het? Vrolijk Kerstfeest!”
Dat was me een kalkoen. Hij kon nooit op zijn poten gestaan hebben, die vogel.
Zij zouden binnen een minuut onder hem afgeknapt zijn als pijpen zegellak.
“Neen, die kun je met geen mogelijkheid naar Camden Town dragen,” zei Scrooge. “Je moet een rijtuig nemen.”
De schaterlach, waarmee hij dat zei, en de schaterlach, waarmee hij de kalkoen betaalde, en de schaterlach, waarmee hij betaalde voor het huurrijtuig, en de schaterlach, waarmee hij de jongen diens beloning gaf, werden slechts overtroffen door de schaterlach, waarmee hij eindelijk, buiten adem, weer in zijn stoel zat en schaterde tot hij het uitgierde.
Het scheren was geen gemakkelijk werk, want zijn hand bleef nog heel erg beven, en scheren vereist aandacht, ook al dans je er niet bij.
Maar als hij het topje van zijn neus zou hebben afgesneden, dan zou hij er eenvoudig een stuk hecht-pleister op geplakt hebben en zijn welgemoedheid niet hebben verloren. Hij kleedde zich op zijn best en ging uit. de straat op.
Het was druk op straat, een zich voortspoedende menigte zoals hij gezien had toen hij in gezelschap was van de geest van de Tegenwoordige Kersttijd.

69

Scrooge liep met zijn handen op de rug en keek iedereen met een opgewekte glimlach aan.
Hij zag er in één woord zo onweerstaanbaar genoeglijk uit, dat drie of vier jongelui, die in een prettige stemming waren, hem toeriepen:
“Goede morgen, mijnheer! Een vrolijk Kerstfeest!”
En Scrooge verzekerde later dikwijls, dat van al de blijde klanken die hij ooit had gehoord, deze wel de meest blijde voor zijn oren waren.
Hij had nog niet? lang gelopen, toen hij de deftige man zag komen aanwandelen, die gisteren zijn kantoor was binnengekomen en gezegd had “Scrooge en Marley, als ik het wel heb?”
Hij voelde een schok in zijn hart bij de gedachte, hoe de oude heer hem wel aan zou kijken als zij aanstonds elkaar ontmoetten, maar hij wist welke weg voor hem uitlag en hij nam die.
“Mijn waarde heer,” zei Scrooge, zijn pas versnellend en beide handen van de oude heer drukkend, “hoe gaat het met u?
Ik hoop, dat u veel succes hebt gehad, gisteren.
Het was buitengewoon aardig van u. En een vrolijk Kerstfeest!”
“Mijnheer Scrooge?” “Ja,” zei Scrooge.
“Dat is mijn naam, en ik ben bang, dat hij u niet aangenaam tegenklinkt.
Maar sta mij toe, dat ik u om vergeving vraag. En wilt u zo goed zijn …”
Hier fluisterde Scrooge hem iets in het oor. “Lieve hemel!” riep de heer, alsof hem de adem werd afgesneden, “mijn waarde heer Scrooge, meent u dat in ernst?” “Ja zeker,” zei Scrooge.
“Geen penny minder.
Er is heel wat achterstallige schuld bij ingesloten, dat verzeker ik u.
Wilt u mij het genoegen doen?”
“Mijn waarde heer,” zei de ander, hem de hand drukkend “ik weet niet wat ik zeggen moet bij zoveel mild ”
“Zegt u niets alstublieft,” viel Scrooge hem in de rede. “Kom me eens opzoeken. Ja? Wilt u mij eens opzoeken?”
“Vast en zeker!” riep de oude heer.
En het was hem aan te zien, dat hij het meende.
“Dank u,” zei Scrooge. “Ik ben u zeer verplicht. Duizendmaal dank.
God zegene u.”
Hij ging naar de kerk, hij wandelde door de straten, hij keek naar het haastige dooreenkrioelen van de menigte, hij streelde kinderen over hun hoofd, hij stelde vragen aan bedelaars, hij keek beneden in de keukens der huizen en boven naar de ramen en bevond dat alles hem genoegen deed.
Hij had nooit kunnen dromen, dat een wandeling, dat iets hem zoveel geluk kon geven, ’s Middags richtte hij zijn schreden naar het huis van zijn neef.
Twaalf keer liep hij de deur voorbij voor hij de moed had op de stoep te stappen en de klopper te laten vallen.
Ten laatste vermande hij zich, en de klopper viel.
“Is mijnheer thuis, beste meisje?” vroeg Scrooge.
Een aardig meisje! Inderdaad. “Jazeker, mijnheer!” “En waar is hij, kindlief?” vroeg Scrooge.
“Hij is in de eetkamer, mijnheer, met mevrouw.
Ik zal u voorgaan, alstublieft.”
“Dank u. Mijnheer kent me wel.” zei Scrooge, met zijn hand reeds aan de knop van de eetkamerdeur. “Ik ga wel binnen, kindlief.” Zachtjes draaide hij de knop om, opende de deur en keek om de hoek.

6
Zij stonden allebei keurend naar de tafel te kijken, die op haar mooist was gedekt, want jonge vrouwen zijn wat dit betreft altijd gevoelig en houden ervan alles in de puntjes te zien.
“Fred!” zei Scrooge.
Lieve hemel, wat schrok zijn aangetrouwde nicht.
Op dit ogenblik was Scrooge vergeten, hoe zij in het hoekje gezeten had met haar voetenbankje, anders had hij dit voor geen geld gedaan.
“Alle deugden!” riep Fred. “Wie hebben we daar?” “Ik. Je oom Scrooge. Ik kom bij je eten. Mag ik binnen komen, Fred?”
Of hij binnen mocht komen! Hij mocht van geluk spreken, dat hem zijn arm niet uitgetrokken werd.
In vijf minuten was hij thuis. Niets kon hartelijker zijn. Zijn nichtje zag er precies hetzelfde uit.
En ook Topper, toen hij kwam.
En ook de mollige zuster, toen zij kwam. En allemaal, toen zij’ kwamen. Een heerlijk partijtje, heerlijke spelletjes, heerlijke eensgezindheid, heerlijk geluk!
Maar hij was vroeg op zijn kantoor, de volgende morgen.
O, hij was er vroeg.
Als hij maar de eerste was en Bob Cratchit op te laat komen kon betrappen. Dat was het, wat hij op het oog had. En hij betrapte hem, ja, inderdaad.
De klok sloeg negen. Geen Bob. Kwart over negen. Geen Bob.
Hij kwam volle achttien en een halve minuut te laat.
Scrooge zat met de deur wijd open, zodat hij hem het berghok kon zien binnen komen.
Hij had zijn hoed al af voor hij de deur opende, en zijn sjaal ook. In een wip zat hij op zijn stoel en joeg zijn pen over het papier, alsof hij wilde proberen de verzuimde tijd” in te halen.
“Hallo!” bromde Scrooge, zoveel als hij kon veinzen met zijn gewone stem.
“Wat heeft dat te betekenen, dat je op dit uur van de dag op kantoor komt?”
“Het spijt me erg, mijnheer,” zei Bob. “Ik ben inderdaad te laat.”
“Ja,” zei Scrooge. “Ik geloof ook, dat je te laat bent.
Kom eens hier, mijnheer, alstublieft.”
“Het komt maar ééns in het jaar voor,” zei Bob verontschuldigend, terwijl hij uit zijn berghok kwam. “Het zal niet meer gebeuren.
We hebben het gisteren nogal gezellig gehad.”
“Nou, ik zal je wat vertellen, vriend,” zei Scrooge. “Ik ben niet van plan het langer te laten gaan zoals het nu gaat.
En daarom,” ging hij voort, en hij kwam van zijn stoel en gaf Bob een stomp tegen diens vestje zodat hij in het berghok terugtuimelde, “en daarom zal ik je salaris verhogen.”
Bob beefde en zocht de plaats op, waar zijn liniaal lag.
Hij overwoog een ogenblik, of hij er Scrooge mee zou neerslaan en hem vast zou binden, terwijl hij de mensen in het steegje te hulp nep en om een dwangbuis zou vragen.

“Een gelukkig Kerstfeest, Bob!” zei Scrooge met een ernst, die niet kon worden misverstaan, terwijl hij hem op zijn rug klopte.
“Een gelukkiger Kerstfeest, Bob, mijn beste kerel, dan ik je in menig jaar gegeven heb. Ik zal je salaris verhogen en trachten je gezin in zijn moeilijkheden bij te staan, en vanmiddag zullen we over je belangen praten bij een kom dampende bisschop, Bob! Stook het vuur wat op en koop een nieuwe kolenbak nog voor je een i hebt geschreven, Bob Cratchit!”

71Scrooge was een man van zijn woord en meer dan dat. Hij deed wat hij gezegd had en nog eindeloos veel meer, en voor Tiny Tim, die niet stierf, was hij een tweede vader.
Hij werd zo’n goed vriend, zo’n goed meester, zo’n goed man als de goede oude stad of welke andere goede oude stad, groot of klein, in de goede oude wereld er ook maar één kende.

Sommige mensen lachten toen ze zagen, hoe hij veranderd was, maar hij liet hen lachen en trok er zich niets van aan; want hij was wijs genoeg om te weten, dat er op deze aardbol niets met goede bedoelingen kan worden gedaan, waarover sommige mensen in het begin zich niet vrolijk maken; en beseffend, dat deze lieden op de een of andere wijze blind waren, bedacht hij, dat het minstens zo goed was dat zij hun ogen dicht hadden van het lachen als dat ze de ziekte der blindheid hadden in minder onschuldige vorm.
Zijn eigen hart lachte, en dat was voor hem genoeg.
Hij had verder geen ontmoetingen uit het geestenrijk en leefde wat dit betreft verder altijd volgens het geheelonthoudersbeginsel; en altijd werd van hem getuigd, dat hij wist hoe Kerstmis te moeten vieren, als enig sterfelijk wezen althans deze wetenschap bezit.
Moge dit in waarheid ook van ons gezegd kunnen worden, en van ons allemaal.

En zoals Tiny Tim zei: God zegene ons, ieder van ons!

 

Bron: Volksverhalen Almanak

Translate »